De manier waarop gebouwen worden ontworpen, gebouwd en gerenoveerd verandert ingrijpend. Met de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD – EU 2024/1275) heeft de Europese Unie een nieuw kader vastgelegd om het Europese gebouwenbestand tegen 2050 volledig koolstofvrij te maken. De richtlijn gaat daarbij veel verder dan alleen het energieverbruik tijdens het gebruik van een gebouw.

Ook de milieu-impact van materialen en technische installaties over hun volledige levenscyclus wordt steeds belangrijker. Voor architecten, studiebureaus, bouwheren, installateurs en fabrikanten van technische bouwproducten betekent dit dat energieprestaties, CO₂-impact, levenscyclusanalyses en betrouwbare milieudata steeds vroeger in het ontwerp- en bouwproces moeten worden meegenomen.

Maar wat houdt de EPBD precies in? En wat betekent dit voor technische installaties en leidingsystemen?

Wat is de EPBD 2024?

De herziene Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen, de EPBD 2024, trad op 28 mei 2024 in werking. De richtlijn vormt een belangrijk onderdeel van de Europese strategie om het gebouwenbestand tegen 2050 koolstofvrij te maken. Daarvoor worden verschillende maatregelen gecombineerd.

Nieuwe gebouwen moeten steeds energiezuiniger en uiteindelijk emissievrij worden, bestaande gebouwen moeten stapsgewijs worden gerenoveerd en ook de CO₂-impact van gebouwen over hun volledige levenscyclus krijgt een belangrijkere rol. De EPBD kijkt dus niet uitsluitend naar de energie die nodig is om een gebouw te verwarmen of te koelen. Ook de materialen en technische systemen waarmee het gebouw wordt gerealiseerd komen nadrukkelijker in beeld.

De belangrijkste veranderingen van de EPBD

De herziene richtlijn omvat verschillende maatregelen die de komende jaren stapsgewijs worden ingevoerd. Voor de bouw- en installatiesector zijn vooral de volgende ontwikkelingen belangrijk.

Zero-emission buildings worden de nieuwe standaard

Vanaf 1 januari 2030 moeten alle nieuwe gebouwen binnen de Europese Unie voldoen aan de standaard voor zero-emission buildings (ZEB). Voor nieuwe gebouwen die eigendom zijn van publieke instanties geldt deze verplichting al vanaf 1 januari 2028. Een zero-emission building heeft een zeer hoge energieprestatie, vereist slechts een beperkte hoeveelheid energie en veroorzaakt geen CO₂-emissies uit fossiele brandstoffen op de locatie zelf.

De resterende energiebehoefte moet worden ingevuld met geschikte schone energiebronnen. Dat kan bijvoorbeeld via hernieuwbare energie op of nabij het gebouw, warmtepompen, hernieuwbare energiegemeenschappen of efficiënte stadsverwarming en -koeling.

Renovatie van het bestaande gebouwenbestand

De EPBD richt zich niet alleen op nieuwbouw. Ook het bestaande Europese gebouwenbestand moet aanzienlijk energie-efficiënter worden. Voor niet-residentiële gebouwen worden geleidelijk minimale energieprestatie-eisen ingevoerd op basis van nationale drempelwaarden. De slechtst presterende gebouwen krijgen daarbij bijzondere aandacht.

Voor residentiële gebouwen moeten de lidstaten maatregelen nemen om het gemiddelde primaire energiegebruik van het gebouwenbestand stapsgewijs te verlagen. De precieze uitvoering gebeurt via nationale renovatieplannen en nationale regelgeving.

Fossiele verwarmingssystemen worden geleidelijk uitgefaseerd

Ook verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen worden verder afgebouwd. Sinds 1 januari 2025 mogen lidstaten in principe geen financiële stimulansen meer voorzien voor de installatie van nieuwe, afzonderlijke verwarmingsketels op fossiele brandstoffen. De EPBD ondersteunt daarmee de verdere omschakeling naar verwarmings- en koelsystemen die gebruikmaken van hernieuwbare of koolstofarme energiebronnen.

Warmtepompen, efficiënte warmtenetten en andere oplossingen voor lage-temperatuurverwarming en -koeling zullen hierdoor een steeds belangrijkere rol spelen.

Niet alleen energieverbruik: ook de CO₂-impact van materialen telt

Eén van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de nieuwe EPBD is de toenemende aandacht voor de volledige levenscyclus van een gebouw. Bij zeer energiezuinige gebouwen daalt het energieverbruik tijdens de gebruiksfase steeds verder. Daardoor wordt de relatieve impact van de materialen en technische installaties waarmee het gebouw wordt gebouwd belangrijker. Denk bijvoorbeeld aan de uitstoot die ontstaat bij:

  • winning en productie van grondstoffen
  • productie van bouwmaterialen
  • transport
  • installatie
  • onderhoud en vervanging
  • en verwerking aan het einde van de levensduur

Deze impact wordt uitgedrukt via het Global Warming Potential (GWP) over de volledige levenscyclus van het gebouw.

Vanaf 2028 wordt levenscyclus-GWP onderdeel van de energieprestatie

De EPBD introduceert hiervoor een duidelijke tijdslijn. Vanaf 1 januari 2028 moet voor nieuwe gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m² het Global Warming Potential over de volledige levenscyclus worden berekend en vermeld in het energieprestatiecertificaat. Vanaf 1 januari 2030 geldt deze verplichting voor alle nieuwe gebouwen.

Hierdoor wordt de milieu-impact van bouwmaterialen en technische installaties veel zichtbaarder binnen het ontwerp- en beslissingsproces. De keuze van een technisch systeem zal daardoor steeds minder uitsluitend worden beoordeeld op aankoopprijs en technische prestaties. Ook aantoonbare milieuprestaties worden belangrijk.

Wat betekent dit voor architecten en studiebureaus?

Voor architecten en studiebureaus betekent deze ontwikkeling dat milieu-informatie steeds vroeger beschikbaar moet zijn. Wanneer de levenscyclusimpact van een gebouw moet worden berekend, zijn betrouwbare gegevens nodig over de verschillende materialen en systemen die in het ontwerp worden opgenomen. Dat geldt niet alleen voor beton, staal, isolatie of gevelmaterialen. Ook technische installaties maken deel uit van het gebouw.

Leidingen, fittingen, verdeelsystemen en andere componenten vertegenwoordigen materiaal en hebben een milieu-impact over hun levenscyclus. Productdata en milieudata worden daardoor steeds belangrijker tijdens de ontwerpfase.

EPD’s worden steeds belangrijker

Een belangrijke informatiebron daarvoor is de Environmental Product Declaration (EPD). Een EPD bevat gestandaardiseerde informatie over de milieu-impact van een product. Daarin kunnen verschillende fasen van de levenscyclus worden opgenomen, zoals grondstoffen, productie, transport, gebruik en einde levensduur. EPD’s maken het mogelijk om milieudata van bouwproducten op een gestructureerde manier mee te nemen in levenscyclusanalyses van gebouwen.

Voor fabrikanten betekent dit dat technische prestaties alleen niet langer volstaan. Ook betrouwbare en controleerbare milieudata worden steeds belangrijker.

Wat betekent de EPBD voor technische gebouwinstallaties?

Technische installaties spelen een belangrijke rol in de energieprestatie van een gebouw. Verwarming, koeling, sanitair warm water, ventilatie en distributiesystemen bepalen mee hoeveel energie een gebouw tijdens zijn gebruiksfase nodig heeft. De transitie naar zeer energiezuinige en emissievrije gebouwen heeft daarom rechtstreeks gevolgen voor de manier waarop technische installaties worden ontworpen.

Systemen moeten geschikt zijn voor energie-efficiënte concepten zoals:

  • warmtepompen
  • lage-temperatuurverwarming
  • hoge-temperatuurkoeling
  • oppervlakteverwarming en -koeling
  • efficiënte warmte- en koudenetten
  • en andere systemen die hernieuwbare of koolstofarme energiebronnen integreren

Ook het distributienet tussen energieopwekking en afgiftesysteem speelt daarin een rol.

Leidingsystemen worden onderdeel van de levenscyclusanalyse

Een leidinginstallatie blijft vaak tientallen jaren aanwezig in een gebouw. Het materiaal waarvan die installatie wordt gemaakt, de hoeveelheid materiaal, het productieproces, transport, levensduur en eindelevenscenario hebben daardoor allemaal invloed op de totale milieu-impact. Bij de keuze van een leidingsysteem worden daarom steeds meer vragen relevant. Hoeveel CO₂ ontstaat tijdens de productie? Hoe lang gaat het systeem mee?

Hoe zwaar is het materiaal en welke impact heeft transport? Is corrosiebescherming nodig? Hoeveel onderhoud is noodzakelijk? Kan het materiaal na gebruik worden gerecycleerd? En zijn betrouwbare milieudata beschikbaar om deze impact in een gebouw-LCA op te nemen? De EPBD versterkt daarmee een ontwikkeling die binnen duurzaam bouwen al langer bezig is: technische prestaties en milieuprestaties worden steeds meer samen beoordeeld.

De rol van aquatherm-leidingsystemen

aquatherm Belux-France beschikt voor zijn leidingsystemen over geverifieerde Environmental Product Declarations (EPD’s) waarin relevante milieudata worden gedocumenteerd. De EPD’s zijn opgesteld volgens de geldende methodologie voor bouwproducten en bevatten informatie over verschillende fasen van de levenscyclus. Deze gegevens kunnen worden gebruikt als input voor levenscyclusanalyses en duurzaamheidsbeoordelingen van gebouwen.

Dat wordt steeds belangrijker wanneer architecten, studiebureaus en bouwheren de milieu-impact van technische installaties willen meenemen in hun materiaalkeuzes.

PP-R en PP-RCT binnen energie-efficiënte gebouwen

Naast gedocumenteerde milieudata hebben PP-R- en PP-RCT-leidingsystemen verschillende eigenschappen die relevant zijn binnen energie-efficiënte gebouwinstallaties. Het materiaal is corrosiebestendig, relatief licht en heeft een lage thermische geleidbaarheid in vergelijking met metalen leidingsystemen. Daarnaast zorgt de gladde binnenwand voor een lage oppervlakteruwheid en gunstige hydraulische eigenschappen.

aquatherm-leidingsystemen worden ontworpen voor een lange technische levensduur en het gebruikte polypropyleen is recycleerbaar. Deze eigenschappen kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van een leidingsysteem over zijn volledige levenscyclus.

Van warmtepomp tot oppervlakteverwarming en -koeling

De omschakeling naar emissievrije gebouwen verandert ook de temperatuurregimes binnen technische installaties. Warmtepompen functioneren bijvoorbeeld bijzonder efficiënt wanneer verwarmingssystemen met relatief lage aanvoertemperaturen kunnen werken. Oppervlakteverwarming kan daardoor een interessante combinatie vormen.

Voor koeling geldt een gelijkaardig principe: systemen die met hogere koelwatertemperaturen kunnen functioneren, kunnen de efficiëntie van de koudeproductie verbeteren. Binnen het aquatherm-productgamma kunnen verschillende systemen worden ingezet voor dergelijke toepassingen. aquatherm blue kan worden toegepast voor verwarmings- en koelcircuits, terwijl aquatherm black ontwikkeld is voor oppervlakteverwarming en -koeling.

Voor warmte- en koudenetten over langere afstanden biedt aquatherm energy een oplossing voor ondergrondse distributie.

Digitalisering wordt eveneens belangrijker

De EPBD stimuleert niet alleen betere energie- en milieuprestaties. Ook digitalisering krijgt een belangrijkere rol. Gebouwinformatie, energieprestaties en technische gegevens moeten steeds beter beschikbaar en bruikbaar worden gedurende de volledige levenscyclus van het gebouw. Voor ontwerpers betekent dit dat digitale productinformatie en BIM-data belangrijker worden.

Technische installaties kunnen hierdoor reeds tijdens de ontwerpfase nauwkeuriger worden gemodelleerd, gedimensioneerd en gecoördineerd. De combinatie van BIM, technische engineering en betrouwbare productdata kan helpen om installaties efficiënter te ontwerpen en de benodigde informatie voor het project gestructureerd beschikbaar te maken.

Wat betekent dit concreet voor toekomstige projecten?

De EPBD maakt duidelijk dat de eisen aan gebouwen de komende jaren verder zullen veranderen. Voor nieuwe projecten worden vooral drie aspecten steeds belangrijker: energie-efficiëntie, CO₂-impact en aantoonbaarheid. Een technisch systeem moet niet alleen goed functioneren. Ontwerpers en bouwheren moeten steeds beter kunnen aantonen welke prestaties het systeem levert en welke milieu-impact eraan verbonden is.

Dat betekent dat fabrikanten betrouwbare technische gegevens, BIM-informatie en milieudata beschikbaar moeten stellen. Voor architecten en studiebureaus wordt het belangrijk om deze informatie reeds vroeg in het ontwerp te integreren.

Conclusie: de EPBD verandert ook de keuze van technische installaties

De EPBD 2024 gaat veel verder dan strengere eisen aan het energieverbruik van gebouwen. De richtlijn verschuift de aandacht naar de volledige levenscyclus van het gebouw. Vanaf 2028 wordt het levenscyclus-GWP verplicht zichtbaar voor nieuwe gebouwen groter dan 1.000 m² en vanaf 2030 voor alle nieuwe gebouwen.

Tegelijk worden zero-emission buildings de nieuwe standaard en wordt de omschakeling naar fossielvrije verwarmings- en koelsystemen verder versneld. Voor technische installaties betekent dit dat energie-efficiëntie, levensduur, materiaalgebruik en gedocumenteerde milieuprestaties steeds sterker met elkaar verbonden worden. De keuze van een leidingsysteem wordt daarmee onderdeel van een veel bredere vraag:

hoe realiseren we gebouwen die niet alleen energiezuinig functioneren, maar ook over hun volledige levenscyclus een zo laag mogelijke milieu-impact hebben?

Voorbereid zijn op de nieuwe eisen van de EPBD?

aquatherm Belux-France ondersteunt architecten, studiebureaus, installateurs en andere projectpartners bij de technische uitwerking van energie-efficiënte leidinginstallaties. Naast technische ondersteuning en dimensionering kunnen we informatie voorzien over EPD’s, BIM-data en de milieuprestaties van aquatherm-leidingsystemen.

Neem contact op met aquatherm Belux-France om te bekijken hoe aquatherm-leidingsystemen kunnen worden geïntegreerd binnen de energie- en duurzaamheidsdoelstellingen van jouw project.