Hoe ontstaat warmteverlies in een warmtenet?
Warmte verplaatst zich van een hogere naar een lagere temperatuur. Bij een ondergronds warmtenet betekent dit dat thermische energie vanuit het warme medium door de leidingwand en isolatie naar de omliggende bodem stroomt. Hoe groot deze warmtestroom is, hangt af van verschillende factoren. De belangrijkste zijn:
- aanvoer- en retourtemperatuur
- temperatuur van de bodem
- diameter van de leiding
- thermische eigenschappen van het leidingmateriaal
- type en dikte van de isolatie
- eigenschappen van de bodem
- aanlegdiepte
- afstand tussen aanvoer en retour
- en de totale lengte van het netwerk
Warmteverlies is dus geen vaste eigenschap van één leiding. Het is het resultaat van het volledige systeem en de omstandigheden waarin het wordt toegepast.
Het temperatuurverschil bepaalt mee het warmteverlies
Eén van de belangrijkste factoren is het temperatuurverschil tussen het medium en de omgeving. Hoe groter dit verschil, hoe groter de drijvende kracht voor warmtetransport naar de bodem. Een leiding met water van 80 °C in een bodem van 10 °C zal onder vergelijkbare omstandigheden meer warmte verliezen dan dezelfde leiding wanneer het medium bijvoorbeeld 50 °C bedraagt. Dit is één van de redenen waarom moderne warmtenetten steeds vaker met lagere temperatuurregimes worden ontworpen.
Lagere nettemperaturen kunnen niet alleen de integratie van warmtepompen, restwarmte en geothermie vergemakkelijken, maar ook de distributieverliezen beperken.
De isolatie vormt de belangrijkste thermische barrière
Bij een voorgeïsoleerd leidingsysteem vormt de isolatie de belangrijkste weerstand tegen warmtetransport naar de omgeving. De thermische prestaties worden onder andere bepaald door:
- de dikte van de isolatielaag
- de warmtegeleidingscoëfficiënt of λ-waarde van het isolatiemateriaal
- de geometrie van het leidingsysteem
- de buitendiameter
- en de kwaliteit en toestand van de isolatie
Een dikkere isolatielaag kan het warmteverlies verminderen, maar vraagt tegelijk meer materiaal en een grotere buitendiameter. De optimale isolatieklasse moet daarom worden gekozen op basis van onder andere nettemperatuur, leidingdiameter, lengte, bedrijfsuren en economische doelstellingen.
Waarom vocht zo belangrijk is
Een isolatiesysteem moet niet alleen goed isoleren, maar die eigenschappen ook gedurende lange tijd behouden. Wanneer vocht in bepaalde isolatiematerialen binnendringt, kunnen de thermische prestaties verslechteren. Een beschadigde buitenmantel of lekkage kan daardoor een veel groter probleem worden dan alleen lokale schade aan de leiding. De kwaliteit van de buitenmantel, verbindingen en uitvoering op de werf speelt daarom eveneens een belangrijke rol in de prestaties op lange termijn.
Ook de leidingdiameter heeft invloed
Een grotere leiding heeft een groter buitenoppervlak waardoor warmte kan worden afgegeven aan de omgeving. Tegelijk kan een grotere diameter hydraulische voordelen bieden doordat de stroomsnelheid en het drukverlies afnemen. De thermisch kleinste leiding is dus niet automatisch de beste oplossing. Bij de dimensionering moet een evenwicht worden gezocht tussen:
- warmteverlies
- drukverlies
- pompenergie
- investeringskost
- beschikbare capaciteit
- en mogelijke toekomstige uitbreiding
Thermische en hydraulische dimensionering moeten daarom samen worden bekeken.
De bodem beïnvloedt de warmteoverdracht
Ook de omgeving waarin de leiding wordt geplaatst speelt een rol. Bodemsoort, vochtgehalte, temperatuur en aanlegdiepte beïnvloeden de warmteoverdracht. Een vochtige bodem kan bijvoorbeeld andere thermische eigenschappen hebben dan een droge bodem. Daarnaast varieert de temperatuur dichter bij het maaiveld sterker onder invloed van weersomstandigheden. Voor nauwkeurige berekeningen moeten daarom de projectspecifieke aanlegcondities worden meegenomen.